Antwoord op vragen over aanpassingen werkkostenregeling

Staatssecretaris Snel van Financiën beantwoordt vragen over de vier aanpassingen in de werkkostenregeling, zoals opgenomen in het Belastingplan 2020.

De staatssecretaris geeft antwoord op Kamervragen over de werkkostenregeling in de nota naar aanleiding van het verslag pakket Belastingplan 2020.

Aan welke wensen in het overleg met werkgevers zijn verder nog geuit, maar waaraan nu vanwege het budgettaire beslag niet wordt voldaan?

Het vrijstellen van feesten en partijen op externe locaties is vaak benoemd, evenals een uitbreiding van de fiscale faciliteit voor jubileumjaren, het herintroduceren van een normrente en het vrijstellen van het kerstpakket. Aan deze wensen is mede vanwege het budgettaire beslag niet tegemoetgekomen.

De vergroting van de vrije ruimte in de WKR vanaf 2020 leidt tot een jaarlijkse budgettaire derving van € 89 miljoen.

Eindheffingstarief WKR

Verder wordt gevraagd naar de budgettaire gevolgen van het verlagen van de eindheffing van de WKR van 80% naar 76,15%.

De NOB stelt voor om het gemiddelde belastingpercentage zoals dat in 2020 zal gelden als uitgangspunt te nemen voor een herijking van het tarief van de WKR.

Te laag

De hoogte van het eindheffingstarief voor de WKR is op grond van diverse overwegingen vastgesteld. Daarbij is onder meer gekeken naar de gemiddelde marginale druk. Van een directe koppeling tussen het gemiddelde belastingpercentage en het eindheffingstarief is geen sprake. Bij een marginaal tarief van 49,5% bedraagt het gebruteerde tarief circa 98%. In dat licht bezien is het eindheffingstarief van 80% nog steeds laag.

Uitgaande van het bedrag aan eindheffing dat in 2017 in het kader van de WKR is voldaan (circa € 180 miljoen) zou het verlagen van het tarief van 80% naar 76,15% circa € 9 miljoen per jaar kosten.

1 Vergroting vrije ruimte

De voorgestelde vergroting van de vrije ruimte van 1,2% naar 1,7% komt tegemoet aan de signalen in de (mkb-)praktijk en dragen hierdoor bij aan het verlagen van de lasten op arbeid.

Met name mkb-werkgevers ervaren de huidige vrije ruimte als knellend. Dat hangt samen met lage lonen en het in dienst hebben van veel parttimers.

Mkb-werkgevers geven aan dat zij er vaker voor kiezen om activiteiten niet te organiseren of vergoedingen en verstrekkingen niet te geven als de vrije ruimte ontoereikend is.

Waarop is het bedrag van € 400.000 is gebaseerd? Is dit op basis van budgettaire mogelijkheden of zit er een ondernemerstechnische ratio achter?  Waarom is niet voor een hoger bedrag gekozen?

Het bedrag is inderdaad gebaseerd op de budgettaire ruimte. Bij het voorgestelde percentage van 1,7% zou een hoger bedrag dan € 400.000 meer geld kosten.

Door de voorgestelde vormgeving is de verruiming voor het mkb relatief het grootst. Deze vormgeving had ook de voorkeur van vertegenwoordigers van het mkb.

Vooral voor het mkb zal hierdoor meer ruimte ontstaan voor vergoedingen en verstrekkingen.

Wat levert de maatregel gemiddeld per mkb-werkgever op en met welk bedrag kan de vrije ruimte per werkgever worden verhoogd?

De vrije ruimte wordt door de maatregel gemiddeld met circa € 500 per werkgever verhoogd. De vrije ruimte kan per werkgever maximaal met € 2000 toenemen, namelijk met 0,5% van € 400.000.

Gedragseffecten?

Het is op voorhand niet duidelijk wat de gedragseffecten van werkgevers zullen zijn naar aanleiding van de verruiming van de vrije ruimte.

Voor de budgettaire raming is op basis van de evaluatie van de WKR uit 2018 aangenomen dat – afhankelijk van de bedrijfsgrootte – 50 tot 65% van de werkgevers de arbeidsvoorwaarden zal aanpassen om de vrije ruimte optimaal te benutten. Dit zou betekenen dat circa € 170 miljoen aan extra vrije ruimte benut zal worden, oftewel circa € 500 per bedrijf.

Dat bedrag zal gedeeltelijk worden benut om belast loon onder te brengen in de vrije ruimte. Qua loonbestanddelen valt daarbij bijvoorbeeld te denken aan sportabonnementen en fietsen (inclusief bijtelling voor een fiets van de zaak).

2 Vrijstellen vergoedingen voor VOG

Werkgevers hebben te maken met diverse verplichtingen die worden opgelegd door de overheid om de kwaliteit en veiligheid op de werkvloer te waarborgen, zoals verplichte certificering of opleidingseisen aan medewerkers, maar ook screening. Het is de verantwoordelijkheid van de werkgever om aan al deze eisen te voldoen. De VOG neemt hierbij een bijzondere plek in, omdat de werknemer deze zelf moet aanvragen en betalen vanwege de privacybeschermende aard van het instrument.

Het kabinet ziet geen aanleiding om de bekostiging van een wettelijk verplichte VOG anders te behandelen dan deze andere vereisten bijvoorbeeld door subsidie te verlenen of dergelijke aanvragen vrij te stellen van leges.

Onbegrip

Uit het overleg met de werkgevers is gebleken dat zij op dit moment de kosten voor een VOG ten laste van de vrije ruimte brengen, als ze deze kosten aan hun werknemers vergoeden. Aangezien een VOG vaak wettelijk verplicht is en niet tot een voordeel leidt voor de werknemer, leidt dit tot veel onbegrip bij werkgevers.

Gerichte vrijstelling

De voorgestelde maatregel houdt in dat de vergoeding van de werkgever aan een werknemer voor een VOG niet meer ten laste komt van de vrije ruimte. Hiermee wordt tegemoetgekomen aan de wens van werkgevers, die specifiek om deze vrijstelling hebben verzocht.

Voor het kunnen benutten van de gerichte vrijstelling moet de werkgever deze kosten daadwerkelijk vergoeden aan de werknemer. De verwachting is dat deze maatregel werkgevers daarom niet stimuleert onnodig een VOG te eisen van hun werknemer.

De voorgestelde gerichte vrijstelling voor VOG’s kost € 11 miljoen per jaar.

3 Verlengen uiterste moment aangifte en afdracht eindheffing

Alle werkgevers die aangifte loonbelasting doen, ruim 600.000, kunnen gebruikmaken van de mogelijkheid om de verschuldigde eindheffing in verband met het overschrijden van de vrije ruimte van een kalenderjaar later aan te geven, namelijk tegelijk met de aangifte over het tweede aangiftetijdvak van het volgende kalenderjaar. Het is niet bekend welke sectoren hiervan het meest gebruik zullen maken. De voorgestelde inwerkingtredingsdatum is 1 januari 2020. De maatregel geldt voor het eerst voor de aangifte over het kalenderjaar 2020.

4 Waarde producten uit eigen bedrijf

De maatregel ziet op werkgevers die producten uit eigen bedrijf aan werknemers verstrekken of verkopen. In bepaalde sectoren is dit meer gebruikelijk dan in andere. Bij producten uit eigen bedrijf kan worden gedacht aan sectoren met producten die voor de consument interessant zijn, zoals retail en horeca.

Waarde economisch verkeer

Voorgesteld wordt om per 1 januari 2020 de waarde van producten uit eigen bedrijf steeds te stellen op de waarde in het economische verkeer. Dit is de waarde die al het wettelijke uitgangspunt is voor de gericht vrijgestelde korting voor branche-eigen producten die de werkgever kan geven en in de praktijk vaak ook al wordt gebruikt voor de bepaling van de loonwaarde. In de praktijk zullen daarom niet veel werkgevers een verandering door deze maatregel ervaren.

Consumentenprijs

De waarde in het economische verkeer moet in het kader van deze maatregel worden uitgelegd als de consumentenprijs. Dit kan het bedrag zijn dat een werkgever op het moment dat de werknemer het product verkrijgt zelf bij consumenten in rekening brengt, maar dat kan ook het bedrag zijn dat een concurrent op dat moment aan consumenten in rekening brengt, bijvoorbeeld een genoemde prijs op een website of een aanbieding uit een reclamefolder. Allebei de bedragen, inclusief btw, zijn consumentenprijzen. De werkgever kan beide als uitgangspunt nemen voor de vaststelling van de hoogte van het loon.

Nota n.a.v. verslag pakket Belastingplan 2020

Bron: https://www.salarisvanmorgen.nl/2019/10/19/antwoord-op-vragen-over-aanpassingen-werkkostenregeling/

Reageren is niet mogelijk