Home Nieuws Belastingen Maart 2011: Hoge Raad: Rentearbitrage DGA niet belast in box 1
Maart 2011: Hoge Raad: Rentearbitrage DGA niet belast in box 1 PDF Afdrukken E-mail


Het rentevoordeel dat een directeur-grootaandeelhouder behaalt door geld te lenen van zijn BV en dit bijvoorbeeld op een (internet)spaarrekening te zetten, wordt niet belast in box 1. Dit heeft de Hoge Raad geoordeeld in zijn arrest van 25 februari 2011. Dit in tegenstelling tot, eerder, de Advocaat Generaal en het Hof Den Haag, en overeenkomstig met Rechtbank Den Haag.

De casus is als volgt. We schrijven het jaar 2003. Er was toen een BV met een aanzienlijk saldo aan liquide middelen en een DGA die op basis van een rekening-courantovereenkomst met de BV geld leende van zijn BV tegen een percentage dat de BV anders bij een bank zou kunnen verkrijgen op maanddeposito's en op een zakelijke rendementsrekening. Dat was toen om en nabij 2,5% op jaarbasis. De DGA kon een veel betere rente ontvangen, want hij kon het wegzetten op een internetspaarrekening waar hij gemiddeld 3,6% rente op ving. De DGA verdiende op deze transactie derhalve 1,1%. Voor de vennootschapsbelasting was de rente van 2,5% die de DGA betaalde aan de BV als zakelijk aangemerkt.

Box-1-inkomen of box-3-inkomen
De inspecteur die de aangifte 2003 van onze DGA moest beoordelen, was van mening dat het hiervoor vermelde rentevoordeel van 1,1% bij de DGA tot het box-1-inkomen (inkomen uit werk en wonen) moet worden gerekend. Onze DGA was van mening dat het rentevoordeel tot het box-3-inkomen behoorde (inkomsten uit sparen en beleggen). Tegenover het bedrag op de internetspaarrekening stond een even grote schuld aan de BV, dus de box-3-heffing hierover zou nihil bedragen.

Rechtbank Den Haag moest het eerste over deze casus oordelen en gaf de DGA gelijk. De zaak kwam vervolgens voor Hof Den Haag die de DGA ongelijk gaf, waarna de Hoge Raad de zaak op zijn bordje kreeg. De Advocaat Generaal volgde de lijn van de Hof Den Haag, maar gelukkig voor de DGA volgde de Hoge Raad weer meer de Rechtbank Den Haag.

Hoe kwam het Hof tot zijn oordeel?
Het Hof volgde de rangorderegeling en ging op grond van deze regeling systematisch na onder welke inkomensbron in box 1 het voornoemde rentevoordeel zou kunnen vallen. Het Hof overwoog dat op grond van de rangorderegeling box-3-heffing pas aan de orde kan komen als er in box 1 geen inkomensbron is. Volgens het Hof kon het rentevoordeel niet worden aangemerkt als winst uit onderneming of loon uit dienstbetrekking, maar wel als resultaat uit overige werkzaamheden.

Voor resultaat uit overige werkzaamheden moet sprake zijn van arbeid die is verricht in het economisch verkeer, van het subjectieve oogmerk om voordeel te behalen en van de objectieve verwachting dat het voordeel redelijkerwijs kan worden behaald. Het Hof liep deze kenmerken na.

Allereerst was het Hof van mening dat de DGA werkzaamheden in het economisch verkeer verrichtte met het inlenen en vervolgens uitlenen van het geld. De DGA beoogde ook een voordeel te behalen, en dit voordeel was ook redelijkerwijs te verwachten. Het Hof vond dat de volledige zeggenschap van de DGA in de vennootschap de DGA in staat stelt in privé een voordeel te verwerven door middel van activiteiten die normaal, actief vermogensbeheer te boven gaan. Aldus kwam het Hof tot zijn oordeel dat daarom het rentevoordeel bij de DGA in box 1 belast was als resultaat uit overige werkzaamheden.

Het andere oordeel van de Hoge Raad
De Hoge Raad oordeelde evenwel anders. Volgens de Hoge Raad gaat het uitzetten van gelden op een spaarrekening normaal, actief vermogensbeheer niet te boven. De omstandigheid dat de DGA hiervoor geld heeft ingeleend van een vennootschap waarover hij de zeggenschap heeft, verandert daarin niets. Daarenboven zegt de Hoge Raad dat de kennis van rentetarieven op spaarrekeningen ook geen bijzondere vorm van kennis is die zou kunnen leiden tot resultaat uit overige werkzaamheden. Aldus kwam de Hoge Raad tot het oordeel dat het bedrag op de internetspaarrekening en de corresponderende schuld aan de BV dus toch in box 3 vallen.

Voor de praktijk betekent dit een geaccepteerde manier om overtollige liquiditeiten van een BV tegen gunstige(re) tarieven weg te zetten.

Bron: Drs. A.T. Valkenburg, PKF Wallast Amsterdam