|
Oktober 2009: Hoge Raad beperkt berekening heffingsrente door fiscus |
|
|
|
De Hoge Raad heeft met zijn arrest van 25 september 2009 een interessant arrest gewezen. Dit arrest helpt het huidige beleid van de Belastingdienst terzake het opleggen van heffingsrente bij een (voorlopige) aanslag om zeep. De Hoge Raad komt in voornoemd arrest tot de conclusie dat de Belastingdienst in principe geen heffingsrente in rekening mag brengen als drie maanden na het indienen van de aangifte geen (voorlopige) aanslag is opgelegd!
Snelle afdoening van aangiften staat zowel bij de Belastingdienst als bij de staatssecretaris van Financiën hoog in het vaandel. Desondanks wordt het veel geuite, stellige voornemen om de aangiften binnen drie maanden af te handelen – in ieder geval ten minste een voorlopige aanslag binnen drie maanden op te leggen – niet altijd gehaald. Wanneer de termijn van drie maanden wordt overschreden, wordt hieraan niet als gevolg gekoppeld dat de heffingsrente dan niet in rekening wordt gebracht. Sterker nog, het was en bleef vast beleid om de heffingsrente gewoon in rekening te brengen. Belastingdienst werd daarin gesteund door de wet en de rechters, die oordeelden dat dat nu eenmaal in de Wet staat. Wringen bleef dit wel.
Casus Zo ook bij onze bekende belastingplichtige X, gehuwd met de al even bekende Y. X en Y dienden op 30 juni 2004 hun aangiften inkomstenbelasting 2003 in. De aanslag van echtgenote Y werd al op 28 juli 2004 opgelegd. X moest echter wachten tot 15 april 2005 en kreeg bij de aanslag netjes € 160 heffingsrente in rekening gebracht. X vond dat niet terecht, en ging tegen de aanslag in beroep. De Rechtbank in Arnhem behandelde dit beroep van X en verklaarde het ongegrond. Het Hof Arnhem deed hetzelfde met het hoger beroep. Hof Arnhem stelde dat uit de wetsgeschiedenis bij het wetsvoorstel inzake heffingsrente volgde dat een aanslag bij voorkeur binnen drie maanden definitief werd vastgesteld. Volgens het Hof kon uit de door de regering tijdens de parlementaire behandeling gedane uitlatingen slechts worden afgeleid dat dit was bedoeld als een in de uitvoeringssfeer geldend beleidsmatig uitgangspunt. Volgens het Hof was een vermindering van heffingsrente slechts toegezegd voor gevallen waarin niet was voldaan aan een uitdrukkelijk verzoek van belastingplichtige om een (nadere) voorlopige aanslag op te leggen.
HR: beperking heffingsrente Toen kwam de Hoge Raad aan het woord. Zij overwoog dat uit de wetsgeschiedenis bleek dat de Belastingdienst er bij de aanslagbelastingen naar streefde dat een (voorlopige) aanslag zou worden opgelegd binnen drie maanden na indiening van de aangifte. Wordt binnen die termijn na indiening van de aangifte geen (voorlopige) aanslag opgelegd, dan betekent dit volgens de Hoge Raad niet dat vanaf dat moment geen heffingsrente in rekening mag worden gebracht (op zich bepaalt de wet dat ook). De Hoge Raad vond echter wel dat het zorgvuldigheidsbeginsel onder omstandigheden meebracht dat geen heffingsrente in rekening mag worden gebracht of dat deze moet worden verminderd. De Hoge Raad nam in haar overweging mee dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het beleid van de Belastingdienst er op is gericht om binnen drie maanden na het indienen van een aangifte een definitieve aanslag op te leggen. Is dit niet mogelijk, dan hield het beleid in – aldus de Hoge Raad – dat er in ieder geval binnen de drie maanden een voorlopige aanslag moet worden opgelegd met de aangifte als uitgangspunt. Niet relevant is of de belastingplichtige om een voorlopige aanslag had verzocht. Het beleid geldt volgens de Hoge Raad ook als de belastingplichtige daar niet om heeft verzocht.
De Hoge Raad oordeelde dat gezien het beleid van de Belastingdienst er in beginsel binnen drie maanden na het indienen van een aangifte een (voorlopige) aanslag moet worden opgelegd. Het zorgvuldigheidsbeginsel verzet zich ertegen dat er meer heffingsrente in rekening wordt gebracht als deze termijn wordt overschreden, dan wanneer deze termijn wel gehaald wordt. Dit wordt slechts anders indien en voor zover overschrijding van de termijn van drie maanden niet te wijten is aan de Belastingdienst (een voorbeeld is bijvoorbeeld als de belastingplichtige erg traag is met het beantwoorden van vragen). De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie van X dan ook gegrond en verlaagde de heffingsrente van € 160 naar € 84.
Bezwaar maken Een helder arrest dat betekent dat de Belastingdienst nog sneller aanslagen moet gaan opleggen en in ieder geval geen heffingsrente meer in rekening mag brengen indien de driemaandstermijn wordt overschreden om redenen die aan haar te wijten zijn. Het wordt een mooie zaak om bij aanslagen de heffingsrente eens nauwkeurig te bekijken – zo dat al niet gebeurde – en bij aanslagen waar het nog kan en speelt, maar eens een bezwaar te maken tegen de in rekening gebrachte heffingsrente.
Bron: Accountancynieuws
|